Het RIVM heeft in april 2025 een nieuwe rekenmethode gepubliceerd voor het inschatten van omgevingsveiligheidsrisico’s bij de opslag van lithiumhoudende energiedragers, zoals batterijen in energieopslagsystemen (EOS’en) en grootschalige batterijopslaglocaties.
Waarom deze methode?
Door de energietransitie neemt het gebruik van batterijen sterk toe, zowel in consumentenelektronica als in energieopslagsystemen voor wind- en zonne-energie. Bij incidenten kunnen lithiumbatterijen echter leiden tot brand, explosie of het vrijkomen van giftige stoffen. Het RIVM ontwikkelde daarom, op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een rekenmethode om de risico’s voor de omgeving te berekenen.
Wat doet de methode?
De methode maakt gebruik van het softwarepakket Safeti-NL en berekent risico’s op basis van scenario’s zoals thermal runaway, explosies en het vrijkomen van giftige gassen. Er zijn vaste-afstandstabellen opgesteld die aangeven op welke afstand van bijvoorbeeld woningen of scholen een opslag veilig geplaatst kan worden.
De methode is opgesteld in het kader van de richtlijnen PGS 37-1 en PGS 37-2, die zich respectievelijk richten op stationaire opslag (zoals BESS-containers) en mobiele systemen (zoals in voertuigen). Het doel is om vergunningverleners, veiligheidsregio’s en initiatiefnemers handvatten te geven bij het bepalen van afstanden tot kwetsbare objecten, en om inzicht te bieden in de risico’s van mogelijke incidenten zoals brand, rookverspreiding of explosies.
De methode bouwt voort op de QRA-systematiek (Quantitative Risk Assessment) en bestaat uit drie kernonderdelen. Allereerst worden realistische incidentenscenario’s opgesteld, waarbij onder meer thermische runaway en de verspreiding van toxische rook worden beschouwd. Vervolgens wordt voor elk scenario de kans op optreden bepaald, op basis van faalkansen van batterijmodules, chemie (zoals NMC of LFP), beveiligingssystemen en operationele factoren zoals ventilatie en compartimentering. Tot slot worden de effecten doorgerekend met modellen voor thermische straling en rookverspreiding, om vast te stellen op welke afstanden gezondheidsrisico’s ontstaan voor personen in de omgeving.
Een belangrijk uitgangspunt in deze rekenmethodiek is dat thermische runaway en de daaruit voortvloeiende kettingreacties niet vanzelfsprekend worden ingeperkt. Alleen als kan worden aangetoond dat het batterijbeheersysteem (BMS) effectief in staat is om falende cellen tijdig te isoleren, mag in de berekening worden uitgegaan van beperking van het incident tot één module of string. Zonder dergelijke mitigatie geldt een worstcasescenario met doorlopende runaway van het hele systeem. De rekenmethode houdt ook rekening met de invloed van blusinstallaties, natuurlijke of geforceerde ventilatie en gebouwconstructie op de verspreiding van rook en hitte.
In de praktijk betekent dit dat opslaglocaties van lithium-ionbatterijen al vanaf een systeemgrootte van 20 kWh onder deze methodiek vallen. Zelfs relatief kleine systemen in commerciële of semi-openbare omgevingen kunnen hierdoor significante risicocontouren genereren. Voor omgevingen waar kwetsbare objecten aanwezig zijn – zoals woningen, scholen of zorginstellingen – kan dit leiden tot forse afstandseisen, tenzij aanvullende veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Denk hierbij aan brandcompartimentering, rookafvoer, automatische detectie en blussystemen, of toepassing van veiliger batterijchemie zoals LFP, die een lagere kans op escalatie kent.
Deze rekenmethode vormt een onmisbare aanvulling op de ontwerp- en beheersmaatregelen uit de PGS 37-richtlijnen. Waar PGS 37-1 en 37-2 vooral voorschriften geven voor inrichting en beheersing, biedt de RIVM-methodiek een kwantitatief instrument om te toetsen of de risico’s aanvaardbaar zijn in de specifieke ruimtelijke context. Juist in stedelijke situaties, waar ruimte schaars is en de behoefte aan energieopslag groot, kunnen deze berekeningen bepalend zijn voor de realisatie van duurzame energieprojecten.
Aanbevelingen en toekomst
Het RIVM adviseert om energieopslagsystemen en batterijopslagen aan te wijzen als milieubelastende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarnaast wordt aanbevolen om de rekenmethode op te nemen in het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid en deze periodiek, bijvoorbeeld elke vijf jaar, te actualiseren vanwege de snelle technologische ontwikkelingen.
Voor professionals in ruimtelijke ordening, vergunningverlening en veiligheidsregio’s biedt deze methode een kader om risico’s van batterijopslagobjecten te beoordelen en verantwoord te integreren in de leefomgeving.
Reactie van Energy Storage NL
Brancheorganisatie Energy Storage NL (ESNL) erkent het belang van de nieuwe rekenmethode, maar uit zorgen over de praktische uitvoerbaarheid ervan. Volgens ESNL zijn de gebruikte begrippen, aannames en implicaties niet altijd duidelijk toegelicht, wat heeft geleid tot onrust binnen de sector. De gepubliceerde vaste afstandentabel kan in sommige gevallen leiden tot onnodig ruime afstandseisen, wat de ontwikkeling van energieopslagsystemen kan belemmeren. ESNL roept het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op om samen met de sector te kijken naar de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen en streeft naar een balans tussen veiligheid en de noodzakelijke energietransitie.
Bron: RIVM
